|
van
28 mei - tot
28 augustus 2005
Deze tentoonstelling geeft een overzicht van de ontwikkeling van
industriële productiemethoden en decoratietechnieken vanaf het moment
dat men in Engeland overging tot het persen van tegels uit droge
kleipoeder. Er zijn ruim driehonderd tegels uit Engeland, Duitsland,
België, Frankrijk en Nederland te zien, naast foto’s van fabrieken en
bladen van modellencatalogi. De Nederlandse expositie is nog aangevuld
met bij het thema passende tableaus en tegelvelden uit het eigen bezit
van het museum. Tevens geven grote foto’s een beeld van de toepassing
van tegels in de Nederlandse architectuur van die tijd.
Het is voor het eerst dat er een systematisch overzicht gegeven wordt
van de gehele tegelindustrie in Noordwest-Europa, die in de periode
1840-1940 een bloeiperiode doormaakte. Zowel wand- als vloertegels,
decoraties in reliëf en tal van verschillende druktechnieken komen voor
alle deelnemende landen aan de orde.
De expositie is gemaakt door tegelkenners en musea uit de verschillende
landen. Het initiatief is genomen door de Engelse vereniging TACS (Tiles
and Architectural Ceramics Society), het Nederlands Tegelmuseum heeft de
samenwerking gecoördineerd. De afgelopen maanden is de tentoonstelling
al te zien geweest in het Erstes Deutsches Fliesenmuseum in Boizenburg
(Duitsland) en het Stedelijk Museum Stellingwerff-Waerdenhof in Hasselt
(België). Na Otterlo reizen de tegels verder naar Engeland, waar ze
getoond worden in het Jackfield Tile Museum.
Bij de tentoonstelling is een viertalige, rijk geïllustreerde catalogus
verschenen. Een team van auteurs, bestaande uit tegelkenners uit de
verschillende landen, heeft hiervoor de bijdragen geschreven. Deze
catalogus bevat foto’s, volledig in kleur, van alle tegels die op de
expositie te zien zijn.
Catalogus, te bestellen bij de deelnemende musea:
Industrial tiles/ Industrielle Fliesen/ industriële tegels/ carreaux
industriels, 1840-1940, redactie Johan Kamermans en Hans van Lemmen,
auteurs Mario Baeck, Ulrich Hamburg, Hans van Lemmen, Thomas Rabenau en
Bart Verbrugge.
ISBN 90-806354-5-6, 144 pp., 300 kleurenfoto’s, tekst viertalig, prijs €
14,95. |
|
Toelichtend artikel:
Industriële tegels
De jaren
1840-1940 vormden in Noordwest-Europa een bloeiperiode voor de
industriële productie van rijk gedecoreerde, kleurige tegels. Vooral
Engeland en Duitsland kenden rond 1910 elk tientallen fabrieken,
sommigen met honderden arbeiders en een productie van miljoenen tegels.
De tweede helft van de negentiende eeuw wordt gekenmerkt door een
internationale, zeer competitieve belangstelling voor de decoratieve
kunsten. Vooral de vraag hoe men in een toenemend geïndustrialiseerde
wereld een artistiek verantwoord en voor velen betaalbaar product kon
maken hield de gemoederen bezig. Op grootschalige
wereldtentoonstellingen toonden fabrikanten uit alle westerse landen
hoogstandjes van creativiteit en technisch vernuft. Naar aanleiding van
deze tentoonstellingen werden overal opleidingen voor ontwerpers
opgericht, waarbij men zich vooral door de stijlen uit het (nationale)
verleden liet inspireren.
In Engeland vond men bijvoorbeeld bij de restauraties van middeleeuwse
monumenten restanten van tegelvloeren met kleurige, ingelegde decoraties
terug. Men ontdekte dat gebouwen uit de klassieke oudheid oorspronkelijk
veelkleurig beschilderd waren. Tegelijkertijd verschenen de eerste
beschrijvingen van betegelde monumenten uit de Islamitische traditie,
zoals het Alhambra in Spanje. Dit alles leidde ertoe dat architecten hun
gebouwen van meer kleur en decoratie wilden voorzien en dat men zocht
naar mogelijkheden om keramische tegels in het noordelijke klimaat toe
te passen.
Verschillende verbeteringen in de productietechniek waren hiervoor
noodzakelijk. Tegels werden tot dan altijd gevormd uit ‘plastische’
(kneedbare) klei, die na het bakken een poreuze, niet-vorstbestendige
scherf opleverde. Het was de Engelse ingenieur Richard Prosser die in
1840 patent aanvroeg voor zijn methode om fijne poederklei met een laag
vochtgehalte onder grote druk samen te persen. Het was zijn opzet om op
deze manier knopen te fabriceren. De aardewerkfabrikant Herbert Minton
onderkende direct de mogelijkheid om hiermee op een efficiënte wijze
veel sterkere tegels te produceren en hij verwierf een aandeel in het
patent van Prosser. Twee maanden na de verlening van het patent hadden
zij al zes persen voor knopen en mozaiektegeltjes aan het werk, samen
met een grote tegelpers. In twee jaar tijd was dit aantal al gegroeid
naar 62 persen.
In eerste instantie richtte men zich vooral op de ingelegde vloertegels,
waarbij de decoratie verkregen werd door verschillende gekleurde
kleisoorten te combineren. Al spoedig ontwikkelde men ook nieuwe
glazuren, waarmee de tegel beschilderd of bedrukt kon worden. Men maakte
keramische transfers met kopergravures of met zinkplaten, waardoor het
mogelijk was de tegel te bedrukken met ingewikkelde patronen en figuren.
Men kon de tegel ook persen in een mal met een uitgespaarde
voorstelling, zodat er een decoratie in reliëf ontstond. Deze tegels
werden vervolgens nog wel met de hand ingekleurd en geglazuurd, een
arbeidsintensief proces dat men meestal liet uitvoeren door - goedkopere
- vrouwelijke arbeidsters. Men experimenteerde zelfs met de mogelijkheid
om foto’s af te drukken op tegels.
Vooral de jaren van de Art Nouveau / Jugendstil, vanaf 1895, leidden tot
grootschalige toepassingen van tegels in de architectuur, zowel in het
interieur als aan het exterieur van gebouwen. In deze periode kwam de
tegelproductie in Duitsland en België ook echt goed op gang. De decors
die men daar ontwierp zijn ook moderner dan in Engeland, waar men langer
vasthield aan de bestaande ontwerpen en historische stijlen.
De Eerste Wereldoorlog betekende een grote breuk in de ontwikkeling van
de tegelindustrie. Op het moment dat men de productie weer oppakte waren
de zeer uitbundige decoraties uit de mode geraakt. De voorkeur ging nu
meer uit naar effen betegelingen met interessante glazuureffecten, of
patronen die gevormd worden met effen tegels in verschillende kleuren.
Accenten werden gevormd door randtegels met een reliëfpatroon of door
een enkele gedecoreerde tegel in het grote vlak. Dit betekende dat de
productie minder arbeidsintensief werd, met alleen nog kleinschalige
productie van de meer bewerkelijke decors. Deze tendens werd versterkt
door de economische crisis in de jaren dertig en de noodzaak tot
schaalvergroting na de Tweede Wereldoorlog, waarbij slechts enkele
bedrijven zich konden handhaven.
Nederland neemt in dit verhaal een bescheiden positie in, omdat de
tegelproductie eigenlijk slechts zeer beperkt industrialiseerde.
Gedurende de gehele periode waren hier nog bedrijven actief die uit de
achttiende eeuw dateerden en waar volgens traditionele methoden tegels
gevormd en beschilderd werden. De introductie van de nieuwe technieken
vond plaats door de modernisering van de laatste Delftse plateelbakkerij
De Porceleyne Fles vanaf 1876 en de oprichting van de Haagse
plateelbakkerij Rozenburg in 1883. Deze bedrijven schaften een tegelpers
aan, evenals de Fayence- en tegelfabriek ‘Holland’ in Utrecht. De
decoratie van deze tegels vond echter uitsluitend handmatig plaats,
waarbij hooguit patroontegels met hulp van sjablonen werden beschilderd.
Deze patroontegels maakten deel uit van speciaal ontworpen
lambriseringen voor portieken en gangen. Rond 1900 verschenen
verschillende catalogi met ontwerpen voor complete betegelde
lambriseringen, in deze vorm wel een typisch Nederlands verschijnsel.
Alleen de aardewerkfabrieken in Maastricht maakten op grote schaal
tegels die met transfers werden bedrukt. Later werden in Delft en
Utrecht (door Westraven) ook wel cloisonnétegels gemaakt, waarbij een
lijnreliëf in de tegels geperst werd. Door de verschillende kleurvlakken
met hoogtelijnen te scheiden kon men glazuren gebruiken die anders met
elkaar zouden vervloeien. Verder experimenteerde verschillende fabrieken
met de mogelijkheid om nog hardere tegels voor buitentoepassingen te
maken, zoals het sectiel van de Porcelyne Fles, het gres van Rozenburg
en het carduus van De Distel. De tegelproductie in Nederland bleef
echter arbeidsintensief en meer op kwaliteit dan op aantallen gericht. |